EB 67

De visscher H. van de Wetering te Elburg en zijn twee zoons hebben de vorige week gevaarlijke nachtelijke uren gehad op het IJsselmeer voor den Keteldiep-mond. Bij stormweer werd hun schuit door een paar lichtbommen of brandbommen getroffen en tot zinken gebracht. De jongste zoon behield het leven doordat zijn vader en broeder hem aan den mast bonden, waaraan ook zij zich vastklemden. De vader sloeg drie maal overboord, maar kon steeds weer gered worden. Er kwam na enkele uren eindelijk hulp opdagen. De jongste zoon is met een gebroken been naar het ziekenhuis gebracht.

Dit bericht stond in de Elburger Courant van 19 juni 1945. Drie dagen later volgde nog een kort bericht: Het geval met de schuit van visscher Van de Wetering voor de monding van het Keteldiep is nog in onderzoek. Het zwaar beschadigde vaartuig is weggesleept en in herstel genomen. Op 5 april 1983 blikte Henk van de Wetering (1919- 1988) tijdens een interview met Willem van Norel terug op die angstige nacht van 15 op 16 juni 1945 aan boord van de bons EB 67. Dit interview staat weergegeven in het boek Vissers van Elburg (Ermelo, 1985). Henk wist zich van die gevaarlijke momenten nog veel details te herinneren: “Nadat we vrijdagmiddag de vangst aan de afslag hadden en thuis een bakje thee gedronken hadden, besloten om maar weer te gaan. Er was trouwens toen al behoorlijk veel wind.


Buiten de haven gekomen, zijn we onmiddellijk aan de kuil gegaan en hebben we een aantal streken in de richting van De Nabbert gedaan. Zo hebben we die avond gevist, totdat we tegen elf uur besloten om te gaan halen. Maar plotseling viel het zeil neer. Mijn jongere broer Gerrit, die zo nu en dan mee ging, riep vanuit de kooi dat we geraakt waren. Dadelijk zagen we dat er een gat in onze schuit was van meer dan een meter. Een bom was dwars door de gaffel via de plecht door de boeg geslagen. Kort daarop zonk de schuit, waarbij we geluk hadden dat het schip iets scheef kwam te liggen. Er was volop paniek. We merkten al spoedig dat Gerrit gewond geraakt was aan zijn been, maar we hadden geen idee hoe ernstig het was. Onze enige redding was nog dat we ons aan de mast vast klampten. Na veel inspanning hebben we Gerrit met de zeilvallen vastgemaakt aan de mast. Vader, die zich onder mij aan de mast geketend had, raakte een paar keer bijna los, waarbij ik nog net in staat was om hem naar mij toe te trekken. Wat een verschrikkelijke nacht hebben we toen meegemaakt. En wat heeft die nacht lang geduurd. Omstreeks twee uur is het wat gaan stillen, waardoor de schuit iets rustiger kwam te liggen. We hebben die nacht veel gebeden en gezongen. Ik zal nooit vergeten dat we Psalm 42 vers 5 een aantal keren met elkaar gezongen hebben:

Maar de Heer zal uitkomst geven,
Hij die daags Zijn gunst gebiedt.
‘k Zal in dit vertrouwen leven,
En dat melden in mijn lied.
‘k Zal zijn lof zelfs in den nacht,
Zingen daar ik Hem verwacht.
En mijn hart, wat mij moog’ treffen,
Tot den God mijns levens heffen.

En ook Psalm 68 vers 10 hebben we gezongen:

“Geloof zij God met diepst ontzag”. Met name de laatste regels waren ons tot troost:
Hij kan en wil en zal in nood,
Zelfs bij het naad’ren van den dood,
Volkomen uitkomst geven.
Zelfs nu nog heb ik een brok in de keel als we in de kerk deze psalmen zingen. Je gedachten gaan dan meteen naar die verschrikkelijke nacht.

Redding
De redding kwam die nacht uiteindelijk van eigen familie. “Toen de jongens van ome Toon (EB 35), Henk en Hein, ’s morgens in alle vroegte op huis aan gingen, nadat ze ’s nachts gekuild hadden, zagen ze plotseling een bultzak drijven. Met de verrekijker dachten ze kort daarop een vliegtuigwrak ontdekt te hebben. Niet veel later kwamen ze er achter dat het een gezonken schuit was. Ze hebben ons opgepikt en snel naar de haven gebracht. We zijn onmiddellijk met Gerrit naar de dokter gegaan, die de forse beenwond verbonden heeft. Zoiets vergeet je nooit weer. Achteraf hadden de hoekers (hoekwantvissers), die ’s morgens vroeg de haven uitgevaren waren, wel iets vreemds ontdekt. Hein en Jan Jansen (EB 60) schijnen zelfs vrij kort langs ons heen gevaren zijn, maar niet in de gaten gehad te hebben wat er precies aan de hand was.

Velen waren bereid ons onmiddellijk te helpen. Gerrit van der Heide (De Sjorrel) en Willem de Beer (Willem van Nobel) hebben de bons tussen hun beide schuiten in tot vlak voor de kop van de haven getrokken. Op de werf van Balk is de bons daarna volledig gerepareerd. Peter van der Heide, een vriend van mijn broer, en ik zijn met een punter de rietkraag langs gegaan. Samen hebben we nog heel wat spullen van onze schuit teruggevonden. Je had als visserman elkaar nodig in tijd van voor- en tegenspoed. Dat bleek enkele jaren later, in 1954, toen Gerard van der Heide (Botje) met zijn pluut omgeslagen is en wij hem uit zee opgepikt hebben.”

Dankbetuiging
Op 22 juni 1945 plaatste de familie Van de Wetering een berichtje met een dankbetuiging in de Elburger Courant: Langs dezen weg willen wij uiting geven aan onze groote dankbaarheid jegens de visschers en de scheepswerf, die ons persoonlijk zoo prachtig geholpen hebben en niets hebben nagelaten bij de berging van de schuit EB 67. Inzonderheid onzen dank aan Henk en Hein van de Wetering. 
Fam. H.W. van de Wetering
Havenkade 21
Elburg

Oorlogsdagboek
Vele jaren na de oorlog -in 1994-1995- schreef Henk van de Wetering (1919-2003) op verzoek van Arent thoe Boecop zijn herinneringen aan de oorlog op in een uitgebreid dagboek. Samen met zijn broer Hein was Henk al op jonge leeftijd schipper geworden op de bons EB 35. Over de bominslag op de EB 67 schreef Henk een uitvoerig verslag. Hieronder volgt het relaas:

In juni 1945 vroeg havenmeester Hannes aan ’t Goor of het mogelijk was een Engelse militair voor een reisje ter visvangst mee te nemen. Wij hadden daar geen bezwaar tegen. Integendeel, het was ons een genoegen één van onze bevrijders op deze wijze van dienst te kunnen zijn. Afgesproken werd dat hij zich op vrijdagmiddag bij ons zou melden. Ofschoon het niet geheel in het schema paste, zijn we de vrijdag (15 juni 1945) naar Elburg gevaren om de vangst van de vorige nacht te lossen en onze passagier op te halen. Om een uur of vier zijn we de haven weer uitgevaren.

De wind was west, een mooie bries met een kracht van vier à vijf. we konden de haven krap aan uitzeilen, dat wil zeggen: we moesten zeer hoog aan de wind zeilen. We hadden namelijk geen motor en waren uitsluitend op de zeilen aangewezen. De passagier, een majoor van de Royal Airforce British Liberation Army, vond het varen met en zeilschip zo mooi, dat hij om een goed uitzicht te hebben voor op de plecht bij de bolder ging zitten. We zeiden hem dat hij daar beter weg kon gaan, omdat hij anders in minder dan geen tijd doornat zou zijn van het buiswater.

Zeeziek
Om op streek te komen moesten we west over. We moesten dus een paar keer overstag om hoogte te krijgen om aan de kuil te gaan. Het zeilen gaf dan ook geen problemen. Na een uurtje gezeild te hebben, haalden we de fok neer en zetten de kuil overboord. Daarna zetten we de fok weer bij, evenals de kluiver en het bezaan. Een half uur later werd onze passagier ziek. Hij trok wit weg, het praten stagneerde. Wanneer namelijk de kuil overboord is gezet, is de gang uit het schip en begint het echt te slingeren. Daarbij komt nog de lucht van touwwerk, teer, oliegoed en het water. Alles draait en beweegt. Je moet dan al zeer sterk zijn om niet zeeziek te worden.

Hoewel de man meerdere reizen op zee gemaakt had en zelfs de oceaan overgestoken was, konden we niet voorkomen dat hij zeeziek werd. Nadat hij enkele malen had overgegeven, hebben we hem naar de kooi gebracht waar hij wat kon bekomen van de misselijkheid en de kou. De slaap zou alle ellende doen vergeten. De wind groeide inmiddels aan tot hard. De zeilen, bezaan en kluiver, werden kort na elkaar geborgen. Inmiddels hadden we de kuil al eens binnen gehaald en weer uitgezet. Na verloop van tijd moest de fok neer en zaten we met een riffokke aan de kuil. De wind had nu een kracht van zes à zeven.

Lichtkogels
Tegen een uur of elf hoorden we boven het geraas van wind en golven het geluid van een vliegtuig en zagen we noordoostelijk van ons vandaan een massa lichtkogels in het nachtelijk donker oplichten. Dat hadden we al zo vaak gezien. Maar we vonden het dit keer wel vreemd. De oorlog was toch afgelopen! Mogelijk was er iemand die nog eens wilde proeven hoe het geweest was. Na vertrek van het vliegtuig en het doven en verwaaien van al dat vuur was de lucht weer even donker als tevoren. Alleen de wind groeide nog aan. Na een poosje hebben we de kuil ingehaald en zijn enige tijd met het kale zeil blijven drijven om te zien hoe het weer zich verder zou ontwikkelen. We bevonden ons ongeveer west-noordwest van Elburg. Na verloop van tijd leek het erop dat de wind iets minder werd. Onze passagier was door alle narigheid toch in slaap geraakt, wat hem alleen maar ten goede kwam.


Bultzak en hoofdkussen
Na middernacht zijn we weer aan de kuil gegaan. We trokken in noordoostelijke richting op Kampen aan. Het weer knapte daarna snel op. De volle fok kon er weer bij, later ook de kleine kluiver. Na verloop van tijd kon zelfs het bezaan weer worden bijgezet. Tegen dag worden, om een uur of half vier, was het weer zo ver verbeterd dat de grote kluiver opgezet kon worden. De wind had een kracht van ongeveer drie. Omtrent die tijd zagen wij iets langs onze schuit drijven, wat achteraf een bultzak bleek te zijn. Even later zagen we een hoofdkussen voorbij gaan. We vroegen ons af waar zoiets vandaan zou kunnen komen. Aan het wegraken van een schip dacht je niet zo gauw. Tegen een uur of vier hebben we de kuil ingehaald. Onze bedoeling was om nog een eindje hogerop te zeilen en dan nog een streek (met het kuilnet) op Elburg aan te doen. Dan waren we op zaterdagmorgen niet zo ver van de haven vandaan. We hadden dan tevens de tijd om de vangst uit te zoeken en de schuit schoon te maken.

Ontdekking
Terwijl we west over zeilden, zagen we boven ons, dat wil zeggen tegen de wind in, noordwestelijk bij ons vandaan, een scheef staand iets tegen de horizon aftekenen. Het leek net een hijskraan. Aangezien het nog schemerig was, konden we de afstand moeilijk bepalen. Door onze ouderwetse, enkelvoudige zeekijker zagen we iets wat wel leek op de mast van een schip. Toen we wat dichterbij kwamen, leek het alsof mensen met lappen stonden te zwaaien. Daarop staken we oliegoed omhoog om daarmee te kennen te geven dat we hun gezien hadden en te hulp zouden komen. Aangezien het zwaaien aanhield, begrepen we dat die mensen bang waren dat we hen voorbij zouden zeilen. Toen ben ik voor op de steven geklommen en mijn broer Hein is achter op de overloop gaan staan om met oliegoed te zwaaien. Vervolgens zijn we over de wind gedraaid om nog sneller in hun richting te komen. We zagen toen wel dat er een schip gezonken moest zijn. Misschien een klein vrachtscheepje of een omgewaaide Vollenhoofse bons? Inmiddels hadden we onze passagier gewekt en verteld waar we op aan zeilden. Hij was weer helemaal opgeknapt. We zagen even later dat die scheve paal inderdaad de mast van een schip was. De vleugel en de neerhangende tuigage was kenmerkend.

Op iets onzichtbaars stonden twee mensen met touwen en zeilvallen in hun handen. Daarmee hielden ze zich overeind. In de schuin in het water omhoog stekende mast hing nog iemand, net boven het water. Met de armen om de mast geslagen en de touwen min of meer vastgebonden zodat hij verder niet naar beneden zou glijden. Toen we vlak bij waren zagen we dat het oom Hendrik was, met zijn zoons Henk en Gerrit. We stonden perplex. We rekenden op een Vollenhoofse of een Bunschoter schuit. Dat het de schuit van oom Hendrik was, hadden we niet kunnen bevroeden. We hoorden toen dat door een vliegtuig een bom was afgeworpen. Wij hebben daarop de fok neergehaald en zijn zo gemanoeuvreerd dat we bovenwinds van hen kwamen. Daar hebben we het anker laten neervallen en het grootzeil laten zakken. Aangezien het anker niet direct diep genoeg in de bodem greep en het roer op het onder water liggende schip begon te stoten, moesten we het ankertouw iets doorhalen.

Oom Hendrik was, na die voor hen vreselijke nacht, weer zover bijgekomen dat hij ons aanwijzingen gaf. We moesten de schuit zo leggen dat we eerst Gerrit, die met een kapot been in de mast gebonden zat, daar weg zouden halen. We hebben toen het roer dwars tegen de steven getrokken en konden zo vlak bij Gerrit komen om hem zo voorzichtig mogelijk los te maken en aan boord te hijsen. Hij kermde nogal toen we dat deden. We legden hem op de inmiddels op de laningen in het vooronder neergegooide bultzak neer. Onze passagier heeft zich vanaf dat moment uitsluitend met Gerrit bezig gehouden om hem zo goed mogelijk te verzorgen. We hebben daarna oom Hendrik en Henk aan boord geholpen, het anker gelicht, de zeilen bijgezet om zo spoedig mogelijk naar Elburg te gaan. Wat droge reservekleding van ons en een beetje warm drinken konden toen voor enige verlichting zorgen.

Reconstructie
Toen vernamen we dat rondom een uur of elf die avond een vliegtuig alles verlichtte door het afwerpen van een massa lichtkogels en dat vrijwel terzelfder tijd een inslag plaats had, waarschijnlijk van een bom. Die raakte de gaffel waardoor het zeil naar beneden kwakte en zich door de plecht boorde. De bom sloeg door de kooi, waarin Gerrit lag te slapen, via de boeg naar buiten. Door een groot gat onder de waterlijn begon het schip gelijk water te maken. Gerrit riep: Va, ik ben geraakt! Toen Henk het vooronder indook om Gerrit uit de kooi te trekken, kwam het water hem al tegen. Snel werd Gerrit naar buiten gesleurd en als eerste in de mast gehesen.

Vervolgens Henk en als derde oom Hendrik er achteraan. Het woei hard en de golven sloegen in de gereefde fok, die was blijven staan. Hierdoor begon het aanvankelijk vrijwel rechtstandig gezonken schip scheef te vallen. Daardoor kreeg oom Hendrik, die zich als onderste aan de mast vast hield zoveel water over zich dat hij het niet meer kon houden. Tot twee keer toe heeft Henk zijn vader kunnen grijpen. Aangezien het schip steeds schever kwam te liggen, kwam het boeisel te loevert (bakboordzijde) zover omhoog dat het bijna gelijk met het wateroppervlak kwam te liggen.Toen het weer na verloop van tijd weer wat opknapte, zijn Henk en zijn vader vanuit de mast langs de vallen te loevert naar de bolder geworsteld. Daar hebben ze op het boeisel, zich aan touwen vasthoudend, de nacht doorgebracht. Zo hebben wij hen die morgen gevonden…

Bergingswerk
Het was na een stormachtige nacht weer een mooie zomermorgen toen we in Elburg aankwamen. Vader stond al op ons te wachten en keek met verwondering toen hij zag dat oom Hendrik en de jongens ook bij ons aan boord waren. Hoe was dat mogelijk? Nadat de vloot kuilders (kuilvissers) binnen gekomen was en de vissers hun vangsten gelost hadden, werd er met Daan Balk (de scheepshellingbaas) overlegd wat er verder te doen stond. Om een uur of één ’s middags is de hele vloot weer uitgevaren richting de gezonken schuit. Daan Balk gaf leiding aan het bergingswerk. De EB 4 en de EB 46, twee jotters (botters), werden elk aan een kant van het wrak geplaatst.

Vervolgens werden kabels onder het schip gesjord en op de beide schuiten vastgezet. Een paar lange kluiverbomen hielde de schuiten uit elkaar. Het wrak werd zodoende iets van de grond gelicht. Daarop werden met lange kabels verschillende schuiten in linie aan het geheel vastgemaakt. De zeilen werden bijgezet en zo werd het wrak onder water voortgetrokken richting de Elburger haven. De sleep verliep goed en ver in de namiddag kon de beschadigde bons op de helling worden getrokken. Grote gaten in de plecht en de boeg getuigden van het ongeval. Er was echter grote dankbaarheid bij alle vissers omdat oom Hendrik en de jongens, ondanks letsel en uitputting, toch gered waren. Zelfs de schuit kon nog geborgen worden.

Naschrift
De naam van de Engelse majoor was H.D. Buxbaum.