Operatie Pegasus II

ONTSNAPPINGSROUTES OVER DE RIJN
Na de Operatie Market Garden waren enkele honderden geallieerde militairen in bezet gebied terecht gekomen en ondergedoken. Met hulp van verzetsgroepen zetten geallieerde geheime diensten twee ontsnappingsroutes op. De ene route, Operatie Windmill via boerderij De Wildt bij Zoelen, mislukte. Bij die actie was onder andere Theodore H. (Ted) Bachenheimer betrokken. De andere route, Operatie Pegasus I via Renkum, werd wel een succes.

Operatie Windmill
Vanuit het al bevrijde Noord-Brant waren rond 12 oktober 1944 Peter Baker en Ted Bachenheimer, een Britse inlichtingofficier en een Amerikaanse parachutist, op de boerderij De Wildt bij Zoelen gekomen. Zij waren verantwoordelijk voor het opzetten van de Operatie Windmill, een ontsnappingsroute voor de geallieerde Airbornes die waren gestrand na het mislukken van de Operatie Market Garden. Via Amerongen zou men de Neder-Rijn overvaren, om via tal van sluipwegen bij boerderij De Wildt te komen. Van daaruit konden ze bij Echteld de Waal worden overgezet naar het reeds bevrijde zuiden. Op 16 oktober 1944 ging het mis. De Duitse Sicherheitsdienst arresteerde de bewoners van boerderij De Wildt. Ook Baker en Bachenheimer werden opgepakt. Fekko Ebbens, de fruitteler en eigenaar van boerderij De Wildt, werd als vergelding op 14 november 1944 in Renswoude gefusilleerd.


Dick Kragt
Een belangrijke schakel bij de Operatie Pegasus was Dick Kragt (schuilnaam: Frans Hals), zoon van een Nederlandse vader en een Engelse moeder. Dick Kragt (1917-2008) was opgevoed in Engeland en had de Engelse nationaliteit. Hij beheerste echter ook de Nederlandse taal. Dick werkte voor de Engelse Militaire Inlichtingendienst. Deze dienst stuurde Kragt in 1943 naar Nederland om te helpen bij het organiseren van ontsnappingsroutes voor geallieerde piloten die door de Duitsers boven Nederland waren neergeschoten. Dick Kragt werd in de nacht van  23 juni op 24 juni 1943 in de buurt van Epe-Vaassen gedropt door de geheime dienst MI9. Dick Kragt werkte nauw samen met Veluwse verzetsmensen. Een van hen was Henk Baud, een van de leiders van de verzetsgroep Old Putten.

Pegasus I
Operatie Pegasus I was succesvol. Tijdens deze operatie was het doel van het verzet een groot aantal Britse militairen en neergestorte piloten dwars door de Duitse linies heen smokkelen richting bevrijd gebied. In de nacht van 22 oktober op 23 oktober 1944 wisten 138 geallieerde militairen, voornamelijk ondergedoken in de omgeving van Renkum, vanuit bezet gebied in de buurt bij Renkum de Rijn over te steken. De Britse Militaire Inlichtingendienst was zeer tevreden over deze succesvolle operatie.

Pegasus II
Dick Kragt en zijn compagnon Joop Piller speelden in november 1944 een sleutelrol bij de Operatie Pegasus II. Ook de gedropte agenten Abraham du Bois en Raymond Holvoet hadden belangrijk voorbereidend werk gedaan, waaronder het uitstippelen van de route. Bij deze operatie werd ook de verzetsgroep Old Putten ingeschakeld. Er werd een plan opgesteld om opnieuw een groep geallieerde militairen vanuit bezet gebied de Rijn over te zetten. Op vrijdagmorgen 17 november werd wijkverpleegster Deliana Verhoef benaderd om de Engelse legerpredikant George A.F. Pare, die bij de familie Verhoef aan de Beekstraat in Elburg was ondergedoken, te vragen of hij betrokken wilde worden bij deze ontsnappingsactie. Hij moest echter direct beslissen. Pare reageerde onmiddellijk enthousiast. De omstanders raadden het hem echter sterk af. Het risico van mislukking was te groot en de geallieerde legers boekten grote successen. Na enige aarzeling besloot Pare uiteindelijk niet op het aanbod in te gaan. De nieuwe ontsnappingspoging kreeg de naam Pegasus II. Geheim agent Dick Kragt was bij de voorbereidingen betrokken. Hij had echter aarzelingen en was niet zeker van succes. De aanvoerlijn was langer wat de kans op ontdekking door de Duitsers vergrootte. Na het succes van Operatie Pegasus I waren de Duitsers bovendien nog alerter op ontsnappingspogingen.

Opvangkamp op ’t Harde
Op 26 oktober 1944 waren een aantal Amerikaanse en Engelse militairen ondergebracht in het voormalig Rijkswerkkamp op ’t Harde, dat op dat moment dienst deed als opvangkamp voor Arnhemse evacués. De beheerder van het kamp, David la Bruyere, had de geallieerde militairen gastvrij ontvangen. Ze kregen goed te eten, schone kleren en sigaretten. Het kamp werd echter gelijktijdig door de Elburgse en Doornspijkse verzetsgroepen gebruikt voor hun illegale werk.

De negen geallieerde militairen die onopvallend waren ondergebracht in het opvangkamp waren Tom Reilly, Carol Stearns, Al Knowlton, Jim Wilson, Charles Noble, Geoffrey Mallison, Kenneth Parsons, Jack Craven en Eric Blackmore. Ze hadden op verschillende plekken ondergedoken gezeten, waaronder enkelen enige tijd in het Verscholen Dorp in de bossen van Vierhouten. Ze waren door leden van de verzetsgroep Old Putten overgebracht naar ’t Harde. De verwachting was dat ze binnen afzienbare tijd over de Rijn gezet konden worden.

Jaap Deetman en Deliana Verhoef hadden als verrassing George Pare meegenomen naar het opvangkamp op ’t Harde. Het zou een prettige en verrassende ontmoeting tussen Pare en de geallieerde militairen worden. Charles Noble vertelde over de arts Theo Redman, een goede bekende van George Pare. Hij was kort na Pare uit de trein gesprongen en had een onderduikadres gevonden in Wapenveld. Gelijktijdig had Leslie Davison ter hoogte van Wapenveld de sprong uit de trein gewaagd. Ook hij vond een onderduikadres.

Tijdelijke onderduikplekken
Twee dagen na deze ontmoeting werden de mannen uit het opvangkamp op ’t Harde gehaald en in afwachting van de ontsnappingsactie overgebracht naar diverse onderduikadressen. Eerst werd de hele groep naar een hol onder een hooiberg bij de weduwe J. Bakker-van Essen op de Hokseberg ondergebracht. Dat was geen succes. Het hol bleek veel te klein voor negen mannen. Na twee dagen werden de mannen gescheiden. Tom Reilly mocht blijven. Charles Noble en Kenneth Parsons werden overgebracht naar de boerderij van de familie H.J. van den Brink aan de Kerkdijk. Jack Craven en Eric Blackmore kregen eerst onderdak bij de familie Thierens in Oostendorp en daarna op de boerderij van de familie Van de Brake op Soppenhof in Doornspijk. Caroll Stearns en Jim Wilson waren vanaf de Hokseberg naar een broer van mevrouw Bakker-van Essen gebracht. Dat was bij de familie Van Essen aan de Wachtelenbergweg in Epe. Gliderpiloot Geoffrey Mallison verbleef tijdelijk op Huize Old Putten. Hij maakte zich daar nuttig door de verzetsmensen instructies te geven in de geluiddempende schietbaan op het terrein van het landgoed. Al Knowlton kreeg tijdelijk onderdak in de pastorie van dominee Gruppen aan de Beekstraat 14. Daar hielp hij de gebroeders Henk en Nico Gruppen met het drukken van illegale krantjes.

Veessen
Uit Veessen moesten vijf geallieerde militairen worden overgebracht richting Elburg. Het waren Frank Batterbury, Ben Lockett, Robert Boyd, Angus Low en Mike Tapson. De afstand was ongeveer twintig kilometer en te ver om te fietsen. De verzetsmensen regelden dat hun vervoer met paard en wagen zou plaatsvinden. De geallieerde militairen lagen op de bodem van de wagen met stenguns, proviand en lege appelkisten op hun hoofd. Vervolgens werd de wagen volgeladen met pas gerooide voederbieten. Omgeven door fietsende verzetsmensen ging de tocht op vrijdag 17 november over de Zuidweg, de Eperweg en de Woldberg (De Knobbel) richting ’t Harde. Vandaar werden de vijf mannen per fiets door Elburger verzetsmensen naar de schuur van de familie Van Norel aan de Stoopschaarweg gebracht.

Voorbereiding
Het was aanvankelijk de bedoeling om op de avond van vrijdag 17 november te vertrekken, maar door problemen in de route kwam de vrachtauto die avond niet. Henk Baud raakte niet in paniek. De volgende avond zou volgens zijn inschatting ook nog kunnen. Er werd gekozen voor een plek bij het Heterense Veer om de Rijn over te steken. Via een telefoonlijn van het verzet werd er door Abraham du Bois druk overlegd met het hoofdkwartier van het British Second Army in het reeds bevrijde Nijmegen. Vanuit het hoofdkwartier werd doorgegeven dat de crossing plaats kon vinden in de nacht van 17 op 18 november of de twee daaropvolgende nachten. Alles zou tijdens die drie nachten op de zuidelijke oever klaar staan voor de massaontsnapping. Vanaf de noordkant zou men drie keer met een groen licht moeten seinen. Daarop zouden Canadese soldaten met stormboten naar de overkant komen om de vluchtelingen op te pikken. De Britse artillerie zou dekkingsvuur geven om de Duitsers op afstand te houden.

Op het erf van de familie Van Norel
Ter voorbereiding op de ontsnappingsactie had verzetsman Jaap Deetman Gerrit van Norel (1916-1978) benaderd om de schuur op het erf van zijn ouders een nacht beschikbaar te stellen als verzamelplaats voor de geallieerde militairen. Gerrit aarzelde, maar liet zich uiteindelijk overhalen door het indringende verzoek van Jaap Deetman. Zonder medeweten van zijn ouders stemde Gerrit van Norel uiteindelijk in onder de toezegging dat de groep de volgende ochtend voor melkenstijd vertrokken moest zijn. Die toezegging werd hem gedaan.

      
In de loop van de avond van 17 november arriveerden een voor een verzetsmensen met fietsen, met achterop de bagagedrager geallieerde militairen, in de Stoopschaarweg. Via de achterzijde van de boerderij van de familie Van Norel bereikten ze de schuur, waar de geallieerde militairen verzameld werden. Toen iedereen gearriveerd was, werden de namen vanaf een lijst gecontroleerd door verzetsvrouw Catharina van Heemstra (schuilnaam Kitta). De groep bleek uit achttien man te bestaan. De achttien militairen waren afkomstig uit Engeland, de Verenigde Staten en Australië. Allen waren zich bewust dat een poging gewaagd zou worden om via bezet gebied in de nachtelijke uren de Rijn over te steken. Helaas kwam avond het geplande vervoer niet. De teleurstelling was groot. De mannen werden in de vroege ochtenduren van 18 november haastig naar diverse onderduikadressen gebracht. De vijf  uit Veessen vertrokken als laatsten. Gerrit van Norel had die nacht van spanning niet geslapen. Toen de koeien die ochtend omstreeks zes uur werden gemolken, was iedereen weer van het erf vertrokken. Vader Willem van Norel had niets gemerkt.

Razzia
In de loop van de morgen van 18 november kwamen plotseling Duitsers het erf van de familie Van Norel op. Ze hadden vermoedens dat er mogelijk geallieerde militairen in de buurt verbleven. Er volgde een uitgebreide huiszoeking en ondervraging. Vader Willem van Norel en zijn vrouw wisten echter van niets. Groot was de paniek toen er in de grote schuur een leeg pakje Engelse sigaretten tussen het stro werd gevonden. Het hele huis en de schuren werden vervolgens nog eens grondig doorzocht, maar er werd verder niets gevonden. Tot grote opluchting van Gerrit van Norel en zijn ouders gingen de Duitsers uiteindelijk verder in de buurt zoeken. Maar ook bij de buren werden geen geallieerde militairen gevonden.

Richting Otterlo
Aan het begin van de avond van zaterdag 18 november arriveerde bij Huize Old Putten de afgesproken vrachtwagen. De geallieerde militairen werden onmiddellijk op de hoogte gesteld. Het vertrek kon doorgang vinden. Zaterdag 18 november was een gure en regenachtige dag. Na half acht in de avond meldde zich de ene na de andere ondergedoken militair in de salon van Huize Old Putten. Een van de geallieerde militairen was in het donker met begeleider in de Puttener Beek terecht gekomen. De stemming was gespannen, maar opperbest. De mannen kregen een schop aangereikt en moesten plaats nemen in de achterbak van de vrachtauto. De auto was ontvreemd van de Organisatie Todt, die de verdedigings- en herstelwerkzaamheden voor de Duitsers verzorgde. De verzetsleden die in de cabine plaats namen, waren gekleed in Duitse uniformen. De eindbestemming van de rit zou zijn in de buurt van Otterlo. Daar zou de groep van achttien zich aansluiten bij de hoofdgroep van ongeveer tachtig andere geallieerde militairen.

In de omgeving van Otterlo ging het mis. De vrachtauto arriveerde te laat en de achttien mannen werden op de verkeerde plek uit de auto gezet. De hoofdgroep werd daardoor gemist. De groep ging desondanks op pad en probeerde alsnog aansluiting te krijgen. Deze tegenslag bleek achteraf een voordeel te zijn. Korte tijd later werd in de verte schoten van machinegeweren gehoord. De hoofdgroep was in een vuurgevecht met de Duitsers geraakt. Er viel een dode, een aantal mannen raakte gewond en ruim veertig geallieerde militairen werden krijgsgevangen gemaakt. De overige mannen wisten te ontsnappen. De achttien mannen van de groep Old Putten werden niet ontdekt. Ze brachten eerst twee dagen en nachten in een bos door en vervolgens werden ze enkele dagen opgevangen in een schuur. Vervolgens werd de groep van achttien mannen door verzetsmensen naar verschillende onderduikadressen gebracht.

Eindbalans
De Operatie Pegasus II was uiteindelijk een mislukking als gevolg van een minder zorgvuldige voorbereiding en inschattingsfouten. Majoor Maguire bleek later, ondanks waarschuwingen, van de geplande route afgeweken te zijn. Slechts zeven van de honderdzestien geallieerde militairen lukte het direct de Rijn over te steken. Met goede moed was de groep van achttien in de avond van 18 november 1944 vanaf landgoed Old Putten vertrokken. De hoop voor Kerstmis thuis te zijn, lukte uiteindelijk slechts een van hen. Voor de andere zeventien hield de spanning en het avontuur nog een aantal maanden aan. Leslie Davison ondernam op eigen risico een geslaagde ontsnappingspoging. Op de avond van 5 december 1944 zwom hij de Rijn over en werd na een paar dagen door een geallieerde patrouille aangetroffen in een verlaten huis bij Zetten.

In de maanden februari en maart 1945 lukte het elf leden van de groep van achttien eindelijk om te ontsnappen. Via de Biesbosch wisten tijdens maanloze nachten de volgende geallieerde militairen het bevrijde gebied te bereiken: Kenneth Parsons, Eric Blackmore, Theo Redman. Angus Low, Ben Lockett, Frank Batterbury, Mike Tapson, Robert Boyd, Adrian Davies, Jack Craven en Carroll Stearns. Tom Reilly wachtte de bevrijding in Hoogland af. Hetzelfde gold voor Donald MacDonald in Amerongen. Beiden durfden geen nieuwe vluchtpoging te ondernemen. Jim Wilson, Geoffrey Mallison en Al Knowlton kwamen niet verder dan Sliedrecht. De vluchtroute via de Biesbosch bleek te gevaarlijk te zijn geworden.

           
Arrestatie van Charles B. Noble
Charles Bruce Noble werd na veel omzwervingen tijdens een poging om de rivier over te komen in de nacht van 2 op 3 januari 1945 door een Duitse patrouille in de buurt van Opheusden gearresteerd. Hij werd gevangen gezet en diverse keren verhoord. Het leek allemaal heel slecht met hem af te lopen. Na enkele spannende weken kreeg Noble uiteindelijk in gevangenis De Kruisberg in Doetinchem de status van krijgsgevangene. Via Bocholt kwam Charles B. Noble per trein terecht in het krijgsgevangenkamp Fallingbostel. Na ongeveer een week werd hij doorgestuurd naar een kamp in Hahnhof. Door een naamsverwisseling wist Noble aan de dood te ontkomen. In Duitsland maakte Charles B. Noble tenslotte de bevrijding mee.

N.B.
Het spannende levensverhaal van Charles B. Noble staat uitgebreid beschreven in het zeer gedegen boek van Wolter Noordman, Gevangen op de Veluwe (Kampen, 1998), pag. 53-70.

 

ACHTER DE LINIES
De achttien geallieerde militairen, afkomstig uit Engeland, de Verenigde Staten en Australië, waren op verschillende wijze op Nederlands (bezet) grondgebied terecht gekomen waren. Allen wisten uiteindelijk de oorlog te overleven. Een kort overzicht van hun (vaak) spectaculaire avonturen:

Charles Bruce Noble was captain in het Royal Air Medical Corps en maakte tijdens de Operatie Market Garden als arts deel uit van de 133-ste Field Ambulance. Ook Theo Redman maakte als arts deel uit van deze groep. Beiden waren op 18 september 1944 om twaalf uur ’s middags met een Dakota vanaf basis Saltby in Engeland vertrokken en sprongen omstreeks half drie ter hoogte van de Ginkelse Heide uit hun toestel.

Geoffrey Mallison landde als Glider piloot tijdens de Operatie Market Garden. Hij werd krijgsgevangen gemaakt, maar wist uit de barakken van de Koning Willem III-Kazerne uit Apeldoorn te ontsnappen. Mallison zat enige tijd ondergedoken in het onderduikerskamp in de bossen bij Vierhouten.

De Amerikanen Jim Wilson en Tom Reilly behoorden tot de bemanning van een Flying Fortress (Vliegend Ford), die op 7 mei 1944 een noodlanding had gemaakt in de buurt van Heerenveen.

De Amerikaan Carroll Stearns was piloot van een Mustang. Hij moest op 30 mei 1944 een noodlanding maken in de omgeving van Putten.

De Amerikaan Al Knowlton maakte deel uit van de bemanning van een Flying Fortress die op 26 augustus 1944 crashte nabij De Ossenberg in Heerde.

Jack Graven en Eric Blakemore waren bemanningsleden van de Lancaster I LL840 van het 50-ste Squadron van de R.A.F. Deze Engelse bommenwerper stortte in de nacht van 22 juni 1944 onder Oene neer.

De Engelsman Frank Batterbury was navigator van een Mosquito, een lichte jachtbommerwerper van het 107-de Squadron van de R.A.F., gestationeerd te Lasham in Engeland. De piloot van dit toestel was de Australiër Mike Tapson. Op de avond van 5 oktober 1944 kreeg de bemanning van de Mosquito instructies voor een vlucht richting Osnabrück met de opdracht om bevoorradingstreinen of konvooien van vrachtschepen in kanalen aan te vallen. Op de terugweg werd het toestel door vijandelijk afweergeschut zwaar getroffen waardoor een noodlanding in de omgeving van Wesepe noodzakelijk was.

August Low was kapitein bij het Glider Pilot Regiment. Ben Lockett was eerste luitenant Anti-tank Artillerie. Beiden waren bij de Operatie Market Garden krijgsgevangen gemaakt, maar wisten in de omgeving van Deventer uit een trein te springen en te ontsnappen.

Robert Boyd was luitenant van het Glider Pilot Regiment. Ook hij was tijdens de Operatie Market Garden gevangen genomen, maar wist bij Twello uit de trein te springen.

Typhoon-piloot (263-ste Squadron) Andrian Davies maakte op 7 november 1944 met motorpech een noodlanding bij Zalk na een beschieting van een trein tussen Nunspeet en Wezep. Hij werd vervolgens ondergebracht bij de families Weidenaar (Zalk), Schoonhoven (Kamperveen), Boeve (Oldebroek) en de weduwe Docter (Oostendorp).

Kenneth Parsons was bommenrichter bij het 578-ste Squadron van de R.A.F. Tijdens zijn 32-ste operatie was het doel om in de nacht van 20 op 21 juli 1944 de synthetische olieraffinaderij in de omgeving van Bottrop-Welheim in het Ruhrgebied te bombarderen. Een explosie aan boord van het toestel dwong Parsons via een parachutesprong het toestel te verlaten. Hij landde in de buurt van Heerde.

Leslie Davinson was verpleger bij de 16e Fieldambulance. Hij was tijdens de Operatie Market Garden krijgsgevangen gemaakt. Hij wist op 7 oktober 1944, samen met Theo Redman, ter hoogte van Wapenveld uit de trein te springen en te ontsnappen.

Donald MacDonald maakte deel uit van het Glider Pilot Regiment dat betrokken was bij de Operatie Market Garden. Hij raakte gewond aan zijn rug en werd krijgsgevangen gemaakt. Tijdens een transport met een trein met krijgsgevangenen wist hij te ontsnappen. Vervolgens dook hij onder. Na de mislukking van de Operatie Pegasus II verbleef MacDonald op een onderduikadres in de buurt van Amerongen. Daar maakte hij de bevrijding mee.