Onderduikadres Beekstraat 13

Op vrijdag 27 maart 2026 vertelde Annie Wijnholds-Pruis (1937), na afloop van een lezing in het Palaver (een wooncentrum aan de Zilverschoon 24 in Elburg), dat haar ouders tijdens de oorlogsjaren aan drie Joodse mensen een veilige onderduikplek hadden geboden. Haar ouders Jan Pruis (1903-1995) en Fopkje Bijlsma (1900-1993) hadden drie kinderen: Aalt Hendrik (1932), Henk (1934) en Johanna Christina (Annie) (1937). De familie Pruis woonde tijdens de oorlogsjaren in een groot huis aan de Beekstraat 13. Annie wist zich de namen van de drie Joodse onderduikers nog goed te herinneren. Het ging om Hartog Keizer met zijn vrouw Sara én Siena Heilbron-Emden.

     
Onderzoek wijst uit dat het hier ging om de Joodse handelsreiziger (in dienst van de firma Lehmann en Co) Hartog Keizer en zijn vrouw Sara Loonstein. Hartog was op 1 januari 1899 geboren in Amsterdam. Sara Loonstein was op 14 juni 1904 geboren in Amsterdam. Hartog en Sara waren op 4 december 1924 in Amsterdam getrouwd. Uit hun huwelijk werden twee meisjes geboren: Hanna (27 oktober 1925) en Catharina (6 maart 1927). Eind april 1929 vestigde het gezin Keizer-Loonstein zich in een woning aan de Haagschestraat 28B in Scheveningen. In het najaar van 1944 werd het echtpaar Keizer een veilige onderduikplek geboden bij de familie Pruis aan de Beekstraat 13 in Elburg. Het echtpaar zat daarvoor ondergedoken in de pastorie van de Gereformeerde predikant M.J. van Dijken in Nunspeet, maar daar werd het te onveilig vanwege dreigend verraad. Het echtpaar Keizer kreeg aan de Beekstraat 13 in Elburg een slaapplek op de zolderverdieping. Om hun Joodse namen te verbergen werd het echtpaar Harry en Clara genoemd. De dochters zaten elders ondergedoken. De familie Keizer maakte vanuit de woning aan de Beekstraat 13 op 19 april 1945 de bevrijding mee in Elburg. Hartog Keizer was zo ontzettend blij dat hij op straat zijn hoed in de lucht gooide.

Het echtpaar Keizer-Loonstein zat tijdens de oorlog op diverse adressen ondergedoken, soms ook gescheiden van elkaar. Na de Slag om Arnhem (17-25 september 1944) moesten Hartog en Sara evacueren vanuit respectievelijk Wolfheze en Arnhem. Ze vonden vervolgens veilige onderduikadressen in Nunspeet en Elburg. Dochter Hanna (Hanna-Louk) werd bevrijd op haar onderduikadres in Leeuwarden. Haar zus Catharina (Tineke) maakte de bevrijding mee in Velp. Sara Keizer-Loonstein stierf op 28 december 1967 op 63-jarige leeftijd. Hartog (Harry) Keizer hertrouwde in 1969 met Meta Alkema. Hartog overleed op 19 mei 1982 op 83-jarige leeftijd. [Het levensverhaal van Catharina is op indrukwekkende wijze vastgelegd door Harry Smit en zijn dochter Judith Boekel-Smit in het boek De ziel van Catharina (Kampen, 2023).]

          
De familie Pruis bood eind december 1944 ook een veilige plek aan een derde Joodse onderduiker. Dat was Sientje (Siena) Heilbron-Emden, die vanuit haar onderduikplek in Oldebroek werd overgebracht naar de Beekstraat 13 in Elburg. Ze had een klein kamertje op de eerste verdieping van het pand. Met haar zuster en zwager Isaac Winnink en Marianne Winnink-Emden was Siena in 1943 in onderduik gegaan op de boerderij van Jan Spronk aan de Vierhuizenweg 9 in Oldebroek. Op deze boerderij zat ook Victorina Roosje (Rieny) Jacobs ondergedoken. Op 15 december 1944 deden de Duitsers een huiszoeking op de boerderij van Jan Spronk. Alle vier aanwezige Joodse onderduikers wisten net op tijd te ontkomen. Jan Spronk werd gearresteerd, maar hij werd later weer vrijgelaten. Het echtpaar Winnink kon daarna (kortstondig) onderduiken bij Johannes Vaessen aan de Bovendwarsweg en verbleef vervolgens de rest van de oorlog bij de familie Hulst-de Vries op de bovenverdieping aan de Beekstraat 32 A in Elburg. Rieny Jacobs kwam eveneens terecht op de boerderij van Johannes Vaessen. Daarna volgden voor haar onderduikadressen in Oosterwolde en Noordeinde.

Siena Heilbron-Emden verbleef ongeveer een maand op het onderduikadres aan de Beekstraat 13 bij de familie Pruis. Medio januari 1945 kreeg ze een onderduikplek bij de familie Verhoef aan de Beekstraat 48 in Elburg. Daar deed ze werk in de huishouding. Tijdens een razzia bij de familie Verhoef op 13 februari 1945 wist ze op tijd te ontkomen. Haar laatste onderduikadres was in Overijssel. Siena Heilbron-Emden (1906-1997) was op 13 september 1933 te Amsterdam getrouwd met Jacques Heilbron. Hij kwam in februari 1943 in Kamp Vught terecht. Vanaf 1 april 1943 verbleef hij zes dagen in Kamp Westerbork in barak 57. Jacques Heilbron was diamantslijper en werd uiteindelijk op 6 april 1943 gedeporteerd naar Sobibor. Daar werd hij drie dagen later vergast. Hij werd slechts 40 jaar oud. Hun enige dochtertje Fia overleefde, net als haar moeder, de oorlog. Ze was tijdens de oorlogsjaren ondergedoken in een weeshuis in de omgeving van Venlo. Na de bevrijding verbleef Siena Heilbron-Emden nog enige tijd bij de familie Pruis aan de Beekstraat 13.

Siena Heilbron-Emden bereikte een hoge ouderdom. Ze stierf op 6 februari 1997 op 90-jarige leeftijd in Amsterdam. Haar dochter Fia stierf op 17 mei 2004. Zij werd 66 jaar oud.

Willem van Norel
Elburg, 30 maart 2026