Jan Engel (1933)

Op vrijdagmorgen 23 april 2021 was er een ontmoeting met oud-beurtschipper en vrachtwagenchauffeur Jan Sickens (roepnaam Jan) Engel in zijn woning aan de Hanzestraat 39. Onderwerp van gesprek waren zijn herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog. Jan was bijna 7 jaar oud toen de Duitsers op 10 mei 1940 ons land binnenvielen. Hij heeft aan de eerste oorlogsjaren wel herinneringen, maar gezien zijn jonge leeftijd staan met name het laatste oorlogsjaar en de periode daarna veel scherper op zijn netvlies.

Nieuw beurtschip
In 1928 nam Klaas Engel (1902-1979) de beurtdienst over van zijn moeder, de weduwe Fennetje Engel-van der Heide (1868-1958). Zijn broer Jacob verliet in goed overleg op hetzelfde moment het bedrijf. Klaas Engel besloot in april 1928 tot de bouw van een motorschip van 25 meter lengte met een laadvermogen van ongeveer 110 ton. Het nieuwe schip kostte 16.850 gulden. Door overdracht van de oude tjalk De Twee Gebroeders moest uiteindelijk een resterend bedrag van 14.600 gulden worden betaald. Op 13 oktober 1928 werd het nieuwe schip opgeleverd. Ruim een maand later, op 20 november 1928, trouwde Klaas Engel met Grietje Kramer. Het jonge paar ging vanaf dat moment op het schip wonen. Het nieuwe schip kreeg de naam Grietje.


Kort na de oplevering van het beurtschip begon een zeer strenge winter. Vanwege de zeer strenge vorst en het vele ijs op de Zuiderzee kon er zestien weken niet gevaren worden. Daarmee lagen ook de verdiensten stil. Klaas Engel en zijn vrouw Grietje Kramer kregen vier kinderen: Heintje (1929), Jacob (1931), Jan Sickens (1933) en Fennetje (1938).

Mei 1940
De oorlogsjaren waren voor de familie Engel een spannende tijd. Op 10 mei 1940 lag het beurtschip van Engel voor de kade in Amsterdam. Kort daarna voer de Grietje terug naar Elburg en wachtte daar voorlopig de ontwikkelingen af. Na enige tijd werd het normale leven weer opgepakt.


Al in de eerste oorlogsmaand werd schipper Klaas Engel door enkele mensen van het gemeentebestuur van Elburg benaderd voor een speciale opdracht. Er moest in het geheim een grote hoeveelheid verbandmiddelen uit Emst via de haven van Elburg naar Amsterdam worden verscheept. Aangezien deze verbandmiddelen bestemd waren voor het Nederlandse leger mochten de bezetters hier absoluut geen weet van krijgen. De lading werd in de nachtelijke uren aan boord gebracht. Omdat de hele onderneming nogal riskant was, werd het gezin Engel ondergebracht bij hotel Het Scheepje. De volgende morgen vertrokken Klaas Engel en zijn knecht Marinus Hutten richting Amsterdam. Bij de Doornspijker Berg (een ondiepe plek in het IJsselmeer) werden ze beschoten en aangehouden. De lading werd gecontroleerd, maar de tocht mocht vervolgd worden. Op weg naar Amsterdam werd het schip nog vier keer tegen gehouden. Engel en zijn knecht zagen onderweg nog vijf vliegtuigen in zee storten.


Bij de Oranjesluizen aangekomen, bleek dat het hele Binnen-IJ geblokkeerd was. Na lang onderhandelen kon de lading uiteindelijk aan de Borneokade worden gelost. De opdracht was geslaagd, maar ook de terugtocht gaf problemen. Het beurtschip van Engel werd de doorgang geweigerd omdat men bang was dat het vaartuig in handen zou komen van de Duitsers. De overtuigingskracht van Klaas Engel gaf tenslotte de doorslag waarna de Grietje terug naar Elburg mocht afvaren. Bijna de hele terugvaart voer het beurtschip in een soort dichte mist. De zogeheten petroleumhaven van Amsterdam bleek in brand geschoten te zijn. De westenwind dreef de rook het IJsselmeer op. Nog dezelfde dag arriveerde het beurtschip veilig in Elburg.

Bombardement
Een zeer aangrijpende gebeurtenis voor de familie Engel vond plaats in de nacht van vrijdag 11 op zaterdag 12 oktober 1940. Het schip, dat in de haven van Amsterdam lag afgemeerd, werd in de nacht van 11 op 12 oktober getroffen door een bom van en Engels vliegtuig. Om ongeveer één uur werden de familie Engel (vader, moeder en vier kinderen) en de knecht Marinus Hutten opgeschrikt door een enorme knal. Nadat eerst drie bommen vlak bij het beurtschip neervielen, was een vierde bom een voltreffer. De bom kwam op het voorschip terecht en sloeg ongeveer op een meter afstand langs de slapende knecht op het kistluik in. De kop van het schip en de mast waren zwaar beschadigd. Een vat olie aan boord raakte in brand. De materiële schade aan het schip waren zeer groot.

De rondvliegende scherven hadden Klaas Engel en vooral zijn vrouw geraakt. Met zware verwondingen aan armen en benen moest Grietje Engel-Kramer in een ziekenhuis in Amsterdam worden opgenomen. In eerste instantie leken de verwondingen van Klaas Engel mee te vallen. Hij moest een topje van zijn duim missen en had enkele verwondingen aan zijn rechter dijbeen. Maar na enkele dagen moest Klaas Engel vanwege infecties alsnog worden opgenomen in het ziekenhuis. Er werd zelfs even overwogen om zijn been te amputeren, maar het lukte tenslotte om de infecties te bestrijden.

Door pompen en andere maatregelen wist men het schip drijvende te houden. Het zwaar gehavende schip werd naar de scheepswerf van Verschuere in Nieuwendam gebracht. Daar droeg de oud-Elburger Hendrik Balk er zorg voor dat werd begonnen met de reparatie van de Grietje. Door het bombardement en de schade lag het werk van de beurtvaart vele weken stil. Maar als door een wonder waren er geen dodelijke slachtoffers gevallen. Familie uit Elburg en Nunspeet kwam spoedig naar Amsterdam om hulp te bieden. Klaas Engel en zijn vrouw moesten voorlopig in het ziekenhuis blijven, maar de kinderen konden naar Elburg terugkeren.

   
Vordering
Tijdens de oorlog werd het beurtschip van de familie Engel ingezet bij het distributievervoer. Maar de tochten op het IJsselmeer werden steeds gevaarlijker. In het laatste oorlogsjaar vorderden de Duitsers de Grietje om grote hoeveelheden hout te verschepen. De familie Engel voelde er niet voor om hier aan mee te werken. Vlak voor de inbeslagname van het schip dook de familie Engel tijdelijk onder in een barakkenkamp op De Hokseberg in ’t Harde. Ook was het gezin Engel een periode ondergedoken bij de familie Zwart aan de Havenkade in Elburg en bij het echtpaar Hulst-Engel. Over het lot van het beurtschip Grietje was lange tijd grote onzekerheid.

Zoektocht
Kort na de Bevrijding zette Klaas Engel alles in het werk om zijn geliefde schip op te sporen. Het had hem heel veel verdriet gedaan dat de bezetters de Grietje hadden gevorderd en het schip van de radar leek verdwenen. Met medewerking van de plaatselijke autoriteiten kreeg Klaas Engel na veel inspanning de benodigde documenten om zijn schip te gaan zoeken. Neef Gerrit van der Heide bracht Engel met de aak (EB 50) naar Amsterdam. Op advies van zijn vrouw had Klaas Engel zijn oudste zoon Jaap meegenomen. Op twee oude, gammele fietsen begon de zoektocht in Amsterdam. Overal werd geïnformeerd, echter tevergeefs. Via Leiden leidde het spoor terug naar Amsterdam. Maar het leverde niets op. De zoektocht werd vervolgd naar onder andere Purmerend, Alkmaar, Haarlem en tenslotte naar IJmuiden. Her werden Klaas en Jaap Engel tegengehouden omdat er nog vele Duitsers ontwapend moesten worden. Maar ook hier leidde de zoektocht tot niets. Het schip was niet in IJmuiden, maar volgens geruchten in Den Helder. Vol goede moed fietsten vader en zoon Engel richting Den Helder. Daar werd de Grietje tot hun grote vreugde inderdaad gevonden. Maar het schip bleek zwaar gehavend.

In Den Helder werden aan het beurtschip enkele noodreparaties gedaan waardoor naar Amsterdam gevaren kon worden voor verder herstel op de werf van de firma De Vries-Lentsch. Klaas en Jaap Engel zijn vervolgens naar Elburg gefietst om het nieuws te vertellen dat de Grietje teruggevonden was. Op 3 augustus 1945 maakte de Elburger Courant bekend dat het schip uit Amsterdam was opgehaald. Nadat de benodigde huisraad aan boord was gebracht kon na vijf spannende jaren de vaart op Amsterdam weer worden hervat.

Herinneringen
Jan Engel kan zich het spannende laatste oorlogsjaar nog goed herinneren: “Omdat ons schip gevorderd was en we geen huis hadden, zaten we met ons gezin in een barakkenkamp op De Hokseberg op ’t Harde. Daar zaten onder andere onderduikers, Amerikanen, Engelsen, Zeeuwse vluchtelingen en Arnhemse evacués. Ik denk dat we daar een aantal maanden hebben gezeten. Ik vond dat een spannende tijd, vooral omdat we regelmatig het bos in gingen om illegaal hout te kappen. Daar moest je niet bij gesnapt worden. Ik herinner me ook nog de beschietingen op het station op ’t Harde en op de spoorlijn. Dat was soms heel heftig.  

Ingekwartierde Canadezen
Aan de bevrijding heb ik niet veel herinneringen, maar wel aan de tijd kort na de oorlog. In ons pakhuis aan de Havenkade waren in de zomer van 1945 vijf of zes Canadezen ingekwartierd. Ik herinner me nog de namen van Jim, grote Fred en kleine Fred. Doordat we de Engelse taal niet voldoende machtig waren, was het moeilijk om met de Canadezen te communiceren, maar het waren aardig lui. Van een van hen kreeg ik een groot kapmes en een speld (embleem). Die heb ik altijd bewaard. Na hun vertrek hebben we nog een tijdje over en weer gecorrespondeerd, maar dat is na verloop van tijd door de taalproblemen verwaterd. 

Geallieerde bommenwerper
Na de oorlog kwam de beurtvaart weer geleidelijk op gang. Niet lang na de bevrijding kwam het geladen beurtschip van Engel op een keer vanaf Amsterdam. Er was een mooie wind waardoor het schip op het zeil richting Elburg voer. Ter hoogte van de omgeving van De Knoare (in de buurt van het tegenwoordige Zeewolde) leek het beurtschip de grond te raken. Het voorschip schoof daarop omhoog. Het schip schuurde over iets zwaars. Engel en zijn beide zoons inspecteerden meteen het ruim en de motor om te kijken of er misschien ook lekkage was, maar dat was niet het geval. Het schip begon daarna langzaam iets te zakken. Met het volle zeil erbij dreef het schip tot gelukkig weer af. Op de helling bleek er een grote kras aan de onderkant te zitten, maar verder viel de schade achteraf mee. Klaas Engel gaf de plek van het onheil door aan de betonningsdienst die het water ter plekke afbakenden.

Kort daarna meldde de bergingsdienst dat er op de bewuste plek een vrijwel complete geallieerde bommenwerper te liggen met aan boord de lichamen van zeven bemanningsleden. De bommenwerper bleek daarnaast vol te zitten met bommen en granaten. We hebben ongelofelijk veel geluk gehad dat ons schip niet de bommen en granaten geraakt heeft, anders was de ramp niet te overzien geweest.”

Naschrift:
Op het grote kapmes staan de initialen J.J.B. met het jaartal 1942. Op het embleem in de vorm van een Canadese esdoorn staat het Romeinse cijfer VIII en de letters RECCE. Dit staat voor 8th Reconnaissance Regiment (het 8-ste regiment der verkenners van het Canadese leger).