Gerrit Zwep (1930)

 In december 2025 schreef de oud-Elburger Gerrit Zwep uit Zwijndrecht zijn oorlogsherinneringen op papier. Via zijn nicht Gerdien Bastiaan-Hoeve was met het doorgeven van zijn telefoonnummer het eerste contact gelegd. Gerdien vertelde: Ome Gerrit is inmiddels 95 jaar, is nog zeer vitaal, rijdt nog auto en heeft een ijzersterk geheugen. Je moet eens met hem in gesprek gaan. Hij weet vast en zeker nog interessante zaken over de oorlog te vertellen. En zo is het gebeurd. Twee (keurige) handgeschreven brieven vormen de basis voor onderstaand verhaal. Daarnaast zijn er enkele telefonische contacten met Gerrit Zwep geweest. Zijn jongste dochter Annette stuurde enkele prachtige foto’s toe.

Gerrit Zwep werd op 29 juli 1930 geboren in een klein huisje in de Hondegatsteeg in de Elburger binnenstad. Zijn ouders waren Jan Zwep (1900-1989) en Anthonia (Toos) Hollander (1902-1993), die op 22 maart 1928 in Elburg met elkaar in het huwelijk waren getreden. Het gezin Zwep bestond uit vier kinderen: Gerritje (1929), Gerrit (1930), Heintje (1935) en Jan (1938). Vader Jan Zwep was los werkman en (later) bode voor het ziekenfonds.

     
Gerrit Zwep kon zich het begin van de oorlog nog goed herinneren: Toen op 10 mei 1940 de oorlog uitbrak, was ik bijna tien jaar oud. Mijn vader kwam ons die dag heel vroeg wekken om te vertellen dat het oorlog was. Ik had als bijna 10-jarige jongen geen enkele voorstelling van een oorlog met de Duitsers, al begreep ik wel dat het iets ernstigs was. Mijn vader vertelde dat hij gehoord had dat er vliegtuigen waren geland in de weilanden, richting Oosterwolde. Men had daar iets glimmends gezien dat op een vliegtuig leek. Later bleek dat in de ochtendzon een melktank te zijn. Toen ik wat ouder werd en ik al die soldaten zag, begreep ik wel dat onze ouders veel narigheid te wachten stond.

Een onuitwisbare indruk op Gerrit Zwep was de komst van jonge NSB-ers naar Elburg. Het bleek te gaan om de jeugdafdeling van de geüniformeerde WA. Gerrit hierover: Ik herinner me nog heel goed dat een grote groep jonge NSB-ers, die in opleiding waren op ’t Harde, al marcherend en zingend door Elburg liepen. Omdat ze al van ver te horen waren, deden de bewoners de gordijnen of de luiken dicht. Er was dan ook niemand op straat. Elburg leek dan een spookstad. Ik zag dit als een daad van stil verzet. Op de Vischmarkt is het op een keer op een grote vechtpartij uitgelopen tussen zo’n groep jonge NSB-ers en een groep Elburgers. Zij kregen flink slaag en dropen af.

Herinneringen aan de Joodse inwoners van Elburg heeft Gerrit niet zoveel. Misschien was ik er nog te jong voor. Wel weet ik dat mijn (ongehuwde) tante Lize Zwep voor de oorlog bij de Joodse familie Wolff werkte. Op een gegeven moment waren ze weg. Ik weet daar verder niet veel van. Bij de familie Förster kochten wij wel eens stiekem sigaretten. Zij hadden een winkel in de Jufferenstraat en verkochten van alles. In 1943 heb ik gezien dat de familie Beem uit de Bloemstraat werd gearresteerd en werd afgevoerd in een auto. Later werd bekend dat ze in een vernietigingskamp waren vermoord.

Veel indruk op Gerrit maakten de luchtgevechten tussen de Duitse en de Engelse vliegtuigen. Dat ging er soms heftig aan toe. Later waren er steeds minder Duitse jachtvliegtuigen. Toen werd er vanaf de grond met zwaar geschut op vooral Engelse bommenwerpers geschoten, die richting Duitsland vlogen. Menige bommenwerper werd geraakt en stortte dan vervolgens neer in het IJsselmeer. 

In 1943 kregen veel mannen een oproep voor de Arbeitseinsatz. Ook Jan Zwep, de vader van Gerrit, werd gedwongen tewerkgesteld. Gerrit wist zich dat nog goed te herinneren: Mijn vader werd tewerkgesteld in de bossen bij Hattem. In de buurt van de Leemcule moest hij samen met veel stedelingen werken aan de ontginning van die bossen. Later moest hij naar de polders bij Hattemmerbroek, waar koolzaad werd verbouwd. Hij werkte toen voor de Heidemaatschappij. Dagelijks bracht hij een flesje koolzaadolie mee, zodat mijn moeder het eten nog enigszins smakelijk kon maken. Vader perste de olie zelf met een zelfgemaakt machientje in het poldergemaal. Ik ging dikwijls naar mijn vader, om in de bossen dennenappels en hout te zoeken, zodat er thuis brandstof was voor in de kachel. Ik reed er heen op een fiets met rupsbanden.

Aan eten was er geen gebrek bij de familie Zwep in huis. Gerrit daarover: Thuis hadden we voldoende te eten. Mijn vader had een groot stuk land, ongeveer 600 vierkante meter, in de Nieuwstad gehuurd. Daar verbouwde hij allerlei soorten groenten, aardappelen en zelfs tabak. Een groot deel van onze familie waren vissers. Dus aan vis geen gebrek. En zij aten mee van onze groente. Voor het halen van melk ging ik een paar keer per week naar ome Lubbert Bisschop. Die had een boerderij naast Van Norel in de Stoopschaar. Ome Lubbert was een broer van mijn opoe Zwep, die aan de haven woonde. Eens kwam ik bij ome Lubbert toen er Engelse vliegeniers in de keuken zaten. Ik kreeg van hen chocolade, maar mocht natuurlijk niets zeggen over deze ontmoeting. Ik vond dat wel heel erg spannend.

     
Tijdens de oorlog gold een avondklok. Na acht uur mocht niemand meer buiten komen, tenzij men een vrijstelling had. Gerrit leed er echter niet echt onder: De avondklok vond ik heel gewoon. Ik mocht toch ’s avonds niet naar buiten en bovendien was het in de winter pikdonker, omdat er geen straatverlichting meer was. Voor de verlichting in huis hadden we een accu met een klein lampje, om zo min mogelijk stroom te gebruiken. Deze accu werd regelmatig gevuld door middel van een fiets, die op de zolder stond en waarop dan een uur of langer getrapt moest worden.

Aan de woning van de Ortscommandant had Gerrit ook nog enkele herinneringen: Waar nu restaurant De Haas is, was in de oorlog de commandantspost van de Duitsers. Er liep daar altijd een wachtpost rondom het huis van de Ortscommandant. Een Duits soldaat, wij noemden hem Dijkslag omdat hij veel op schilder Dijkslag leek, maakte dikwijls een praatje met ons. Hij had de leeftijd van mijn ouders en had ook kinderen van onze leeftijd. Het was een goede Duitser, die niets van de oorlog moest hebben.

De bezetting in Elburg was naar verhouding redelijk soepel. Maar toch lag het gevaar altijd op de loer. Zeker in het laatste oorlogsjaar was het soms gevaarlijk vanwege de vele beschietingen vanuit de lucht, veelal door Engelse Spitfires. Gerrit wist zich dit nog haarscherp te herinneren: Eind van de oorlog, in maart-april 1945, waren er veel gaten in de berm van de weg gemaakt om te schuilen. Ze noemden dat éénmansputten. Op de Nunspeterweg waren die zelfs om de paar meter gemaakt.Mijn vader had ook zo’n put op de volkstuin in de Nieuwstad gemaakt. Dit was om te schuilen, wanneer er geschoten werd. Mijn broer Jan en ik waren samen op de volkstuin, toen er door Engelse jagers (jachtvliegtuigen) geschoten werd op letterlijk álles wat bewoog. We konden samen niet meer bij onze éénmansput komen. Toen ben ik op mijn broer gaan liggen om hem te beschermen voor de kogelregen. Het had overigens niets uitgemaakt, want ik had die kogels nooit tegen kunnen houden. Maar toch wilde ik mijn broer beschermen.

 De bevrijding voor Elburg kwam op 19 april 1945. Die dag wist Gerrit zich nog heel goed te herinneren: Van de Bevrijding weet ik me nog te herinneren dat de Zwolscheweg vol stond met tanks. Ook op de Ledige Stede stond een tank, waar wij op mochten zitten. Verder waren er in Elburg ongelofelijk veel huizen met uithangende vlaggen. Waar al die vlaggen zo gauw vandaan kwamen, weet ik niet. Mijn vrienden en ik hebben bij de soldaten een tent geruild voor eieren. De tankbemanning was gek op eieren. Die tent hebben wij enigszins aangepast. We hebben daar enkele jaren als vrienden mee gekampeerd, onder andere in Uddel, Leusden en Loosdrecht.

Gerrit besloot zijn oorlogsherinneringen met: Als jongen heb ik geen nare ervaringen gehad in de oorlogstijd. Mijn ouders zullen best veel zorgen hebben gehad in deze jaren. Het laatste jaar van de oorlog ben ik niet meer naar school geweest. Ik had alle klassen (plus een jaar extra) van de lagere school doorlopen. Ik heb verder geen vervolgopleiding meer gehad. Direct na de oorlog ben ik als kruideniersbediende gaan werken bij Zijlstra (Jufferenstraat 12) voor drie gulden en vijftig cent per week. Moeder was daar blij mee. Het was geen vetpot bij ons thuis. Vader was toen los arbeider en verdiende weinig, zodat mijn loon een mooie aanvulling was. Bij Zijlstra heb ik nog gewerkt met distributiebonnen. Daarna ben ik in dienst gekomen van grossierderij (groothandel in levensmiddelen) van de gebroeders Coen en Hendrik Schreurs aan de Nunspeterweg. Mijn vrienden waren vanaf de schooltijd Henk Binnekamp en Joop Witter (beiden leven in januari 2026 nog). Zo nu en dan heb ik nog contact met hen.

 Gerrit Zwep verliet Elburg al op 20-jarige leeftijd. Hij moest op 4 oktober 1950 in militaire dienst. Gerrit werd geplaatst bij de luchtstrijdkrachten (L.S.K.) en kreeg een opleiding in Bussum. Na deze opleiding kwam hij via Soestduinen-Soesterberg in Zeist terecht, waar hij zijn diensttijd van 20 maanden in een magazijn met auto onderdelen heeft doorgebracht. Eind mei 1952 zat zijn diensttijd er op. Gerrit is daarna nog een half jaar teruggegaan naar de gebroeders Schreurs in Elburg. Inmiddels had Gerrit Zwep in 1951 verkering gekregen met Grietje Klein. Zij woonde in Den Haag, maar logeerde in de zomervakanties regelmatig bij haar grootouders Karel le Poire en Grietje Klein op de boerderij aan de Gerichtenweg.

In Den Haag is Gerrit op 1 januari 1953 bij de politie begonnen. Gerrit deed vier jaar dienst in Scheveningen. Het krijgen van een huis was in die tijd een groot probleem. Gerrit zat in deze periode in drie kosthuizen. Dat was de voornaamste reden dat Gerrit solliciteerde naar een functie in Zwijndrecht, omdat daar wel een huis beschikbaar was. In Zwijndrecht is Gerrit in januari 1957 begonnen als agent. In februari 1989 ging Gerrit na 36 dienstjaren op 58-jarige leeftijd als adjudant met pensioen.

   
Gerrit Zwep trouwde op 19 december 1956 met Grietje Klein, dochter van Hendrik Klein en Elizabeth Eikeboom. Grietje Zwep-Klein stierf op 29 december 2018. Gerrit wist over de families Klein en Le Poire nog een paar dingen te vertellen: De grootouders van mijn vrouw waren Karel le Poire (1868-1952) en Grietje van Erven (1882-1960). Naar laatstgenoemde is mijn vrouw genoemd. Grietje van Erven was eerst (op 25 april 1901) getrouwd met Kornelis Klein (1875.-1914). Uit dat huwelijk zijn Lubbertus (Bart) (1902), Bartus Willem (Willem) (1903), Jannetje (1904; later getrouwd met Dikus Magré), Jan (1906), Hendrikje (Henne) (1907) en Hendrik Klein (1909) geboren. Maar omdat Grietje al op jonge leeftijd weduwe werd, is ze op 2 september 1915 hertrouwd met Karel le Poire. Ze hadden een boerderij aan de Gerichtenweg, de plek waar later Wim Deetman en zijn vrouw Elizabeth (Betsie) van Dorp woonden en werkten.Mijn schoonvader, Hendrik Klein, is begonnen als stoker op de tramlijn Nunspeet-Zwolle. Daarna is hij via Almelo en Zwolle bij de N.S in Den Haag gekomen, waar hij als controleur in de treinremise van Leidschendam moest werken.

 De grootouders van vaderskant waren timmerman en bierbottelaar Jan Zwep (1868-1946) en Gerritje Bisschop (1868-1972). Over deze grootouders wist Gerrit zich nog het een en ander te herinneren: Opa en opoe Zwep hebben eerst in de Bloemstraat 26 gewoond. Via mijn vader weet ik dat ze daar flesjes bier verkochten, hoofdzakelijk voor feestjes. Als jongen ging mijn vader met de hondenkar dat bier ophalen van het NS-station op ’t Harde. Het bier was daar met de trein aangekomen. In mijn tijd woonden opa en opoe Zwep aan de haven (Havenkade 15). Opoe verkocht daar vanuit haar huis (uit een vat met een tapkraantje) petroleum, hoofdzakelijk aan de vissers. Op deze manier verdiende opoe er een paar centen bij. Het hele huis stonk naar de petroleum. Opa was timmerman. Voor zover ik weet werkte hij zelfstandig en deed hij voornamelijk kleine klusjes.

Jan Zwep was geboren op het landgoed Schouwenburg, waar zijn vader koetsier was bij de familie Van Sytzama. Jan Zwep trouwde op 9 april 1896 met Gerritje Bisschop. Op 9 april 1946 was het echtpaar Zwep-Bisschop vijftig jaar getrouwd. Het feest werd gevierd in de tuin van kolenboer Zwart bij de gracht aan de Vischpoortbrug. Kort daarna, op 16 juni 1946, is Jan Zwep echter op 78-jarige leeftijd overleden. Gerritje Zwep-Bisschop is stokoud geworden Ze werd verzorgd door haar dochter Lize en kon tot haar overlijden blijven wonen in haar huisje aan de Havenkade 15. Ze stierf op 26 juli 1972 op de leeftijd van 103 jaar en zeven maanden.

 Gerrit Zwep besloot zijn verhaal in zijn tweede brief met: Ik hoop dat je iets aan dit verhaal hebt. Er zijn natuurlijk nog vele andere dingen gebeurd, maar na ruim tachtig jaar was dit ongeveer wat ik mij goed kon herinneren.

Elburg/Zwijndrecht
9 januari 2026