EB 35

In het voorjaar van 1994 stemde oud-visser Henk van de Wetering in met het verzoek van de werkgroep Publicaties van de oudheidkundige vereniging Arent thoe Boecop om zijn herinneringen over de periode 1940-1945 op te schrijven. Na lang zoeken naar aantekeningen en diep nadenken, stelde hij meer dan twintig gebeurtenissen op schrift. Zelf schrijft hij hierover in een begeleidende brief:

‘Met veel krassen en doorhalingen, wijzigingen en aanvullingen, dag en nacht bij elkaar gebracht, wordt het resultaat aan u hierbij toegezonden. In de oorlog hebben we niets op papier gezet. Zulke gegevens konden nare gevolgen teweegbrengen. Een keer hebben we een Duitse marineofficier aan boord gehad. Die ging ook in het vooronder, bekeek de kooi en zelfs de ruimte onder de kooi. Wel waren we vanaf het begin van de oorlog in het bezit van boekjes van de vliegtuigherkenningsdienst. Die hebben we momenteel nog, met een bijna antiquarische waarde. Zo’n twintig voorvallen heb ik op papier gekregen. Het heeft mij zeer veel moeite gekost, zij het niet met tegenzin. Alles moest weer eens op een rijtje gezet worden. Het zijn geen fantasieverhalen, noch bluf! Er zijn gebeurtenissen geweest die we ‘op kantje boord na’ hebben overleefd. We zijn vaak zeer bang geweest.’

Henk en Hein van de Wetering
Hendrik Willem (Henk) van de Wetering werd op 25 augustus 1919 in Elburg geboren. Bijna twee jaar later, op 20 juni 1921, zag zijn broer Hein het eerste levenslicht. Vader, Antonie (Toon) van de Wetering (1884-1956), was schipper op de bons EB 35. In 1918 kocht Van de Wetering de in 1880 gebouwde bons van Jan Broekhuizen (Jan van Soerel). Dit scheepje werd in 1935 wegens ouderdom gesloopt. In hetzelfde jaar kocht Van de Wetering de (grotere) bons van Willem de Beer (EB 46). Het was een prachtig scheepje dat heel goed zeilde. Vanwege maagklachten was Van de Wetering al vóór de oorlog gedwongen aan de wal te blijven. Zijn twee zoons Henk en Hein namen op zeer jonge leeftijd het werk van hun vader over. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog waren zij respectievelijk 20 en 18 jaar oud. Samen beleefden Henk en Hein van de Wetering enkele angstige avonturen op het IJsselmeer.

             
Ander werk
Na de oorlog, in 1946, beëindigden de gebroeders Van de Wetering de visserij. De bons werd voor 3.400 gulden verkocht aan visserman L. Heimensen te Putten (PU 2). Henk en Hein van de Wetering vonden werk in Amsterdam bij de P.T.T. als sorteerders. Henk kreeg enkele weken daarna bericht van het Ministerie van Financiën dat hij was aangenomen bij de douane te Baarle Nassau. Van daaruit werd hij later overgeplaatst naar Den Haag. Broer Hein vertrok vanuit Amsterdam naar Zwolle. Hij bleef werkzaam bij de P.T.T. Hein overleed op 28 mei 1968 te Zwolle.

Oorlogsdagboek
Het oorlogsdagboek van Henk van de Wetering (1919-2003) is van grote historische waarde. Gedetailleerd en met grote precisie beschrijft de oud-schipper van de EB 35 zijn herinneringen aan de periode 1940-1945. Het zijn de belevenissen van twee jonge Elburger vissers in een angstige tijd. Vanzelfsprekend hebben andere vissers uit die tijd andere ervaringen beleefd, maar duidelijk is dat het oorlogsdagboek een representatief tijdsbeeld schetst van het vissersbestaan op zee in de periode 1940-1945. Het oorlogsdagboek van Henk van de Wetering is al eerder gepubliceerd in de uitgave Elburger visserij in oorlogstijd. Deze uitgave verscheen in juni 1995 (Arent thoe Boecop, nummer 58). Van de twintig hoofdstukken zijn er voor de website zeven geselecteerd.

       
BEGIN VAN DE OORLOG (1940)
De oorlog kwam voor ons niet onverwachts. Er waren al heel wat spannende gebeurtenissen gepasseerd. Oostenrijk was bij Duitsland ingelijfd, Tsjecho-Slowakije kwam onder Duitse invloedssfeer. In het Westen waren we zeer verbaasd over het verdrag van Duitsland en aartsvijand Rusland over de verdeling van Polen. De Joden kregen het intussen steeds zwaarder te verduren. Engeland en Frankrijk probeerden via concessies te redden wat mogelijk was en de toezeggingen van Duitsland te aanvaarden omwille van de vrede. Duitsland viel echter op 1 september 1939 Polen binnen. Engeland en Frankrijk konden daarop niet anders doen dan Duitsland de oorlog te verklaren. De wereldbrand had een aanvang genomen. Begin april 1940 viel Duitsland Denemarken en Noorwegen binnen. Wie zou de volgende zijn? Verloven werden ingetrokken of soms in beperkte mate toegestaan. Zo ging het wekelijks. Nederland hield zich echter strikt neutraal. Zo nu en dan werden geruststellende berichten uit Duitsland ontvangen dat Nederland zich geen zorgen hoefde te maken. We hoopten op vrede maar vreesden de werkelijkheid…

Op donderdag 9 mei 1940 waren we, zoals gewoonlijk, met de hele vloot naar zee gegaan. Er stond een oostenwind met een kracht van twee à drie. Het was stralend onbewolkt weer. Tegen 17.00 uur zijn we aan de kuil gegaan. Alle zeilen werden bijgezet: grootzeil, fok, grote kluiver en bezaan. Om de twee à drie uur haalden we de kuil, waarna we het net weer overboord zetten. Inmiddels was het vrijdagnacht omstreeks drie uur. De wind was steeds meer afgezwakt, nauwelijks voldoende om de kuil nog voort te slepen. Even na drie uur passeerden op grote hoogte enkele vliegtuigen. Ze kwamen uit noordoostelijke richting en koersten naar het zuidwesten.

De toestellen waren niet te zien en voerden, voor zover te zien, geen navigatielichten. Daarna werd het weer stil. Met het krieken van de dag kwam er meer activiteit in de lucht. Ook begon het in het zuidwesten wat te rommelen. Vliegtuigen vlogen over, niet massaal maar meestal in groepjes van drie à vier. Sommigen vlogen hoog (ongeveer 4.000 meter), anderen vlogen laag (ongeveer 500 meter), een enkele extreem laag waaronder een Messerschmitt-109 jachtvliegtuig. Indrukwekkend en beangstigend omdat we zoiets nog nooit eerder hadden gezien. En dat in de zon overgoten natuur.

Alle vissers hadden wel door dat dit ernst was. Alhoewel het nog vroeg in de morgen was -zo rond vijf uur- haalde iedereen de kuil in en zette koers naar Elburg. Tegen een uur of zes waren we enkele kilometers noordwestelijk van Elburg. Mijn broer Hein stond aan het roer en ik was in het vooronder een sigaret aan het draaien. Plotseling riep Hein: ‘Henk, kijk hier eens!” Ik stoof naar boven en wilde terugroepen. Maar door immens verscheurend, aanzwellend lawaai kreeg ik daarvoor niet eens de kans. Twee bommenwerpers, Heinkels-111, vlogen vlak naast elkaar op minder dan masthoogte, rakelings voor ons langs. Deze vliegtuigen hadden hun opdracht al volbracht, komende uit het zuidwesten en koersend in noordoostelijke richting.

Een poosje later werd op een afstand van ongeveer 600 meter van ons vandaan, in de richting van ‘de Doornspijker Berg’, door een Duits vliegtuig een waarschijnlijk overcomplete bom afgeworpen. Een grote zuil water stond recht omhoog, even later verstuivend over de zee. ‘Als het zo moet gaan, is er geen redden aan’, waren onze gedachten. Dit was de werkelijkheid, het was oorlog! Ver weg, in de richting van De Ketel, was een klein marinevaartuig op laag overkomende vliegtuigen aan het schieten. Wij bewonderden deze mensen, omdat ze als eenling zoveel lef toonden. Toen we de haven van Elburg binnenkwamen, werd er geroepen dat het oorlog was. De radio gaf zonder onderbreking berichten door over bombardementen, alsmede landingen van Duitse parachutisten op verscheidene plaatsen. Nederlandse gevechtseenheden boden sterke tegenstand en wisten de vijand op sommige plaatsen zware verliezen toe te brengen.

Bij vishandelaar Aart van Triest aan de haven waren een paar Nederlandse militairen, waarvan er één een grote pleister op de wang had wegens een opgelopen schotwond, Er deden geruchten de ronde dat Duitse parachutisten, verkleed als postbodes of verpleegsters, verwarring probeerden te stichten. Ook zouden oprukkende Duitse eenheden burgers voor zich uitdrijven om Nederlandse militairen te beletten tot de aanval over te gaan. Het was een wirwar van geruchten die de ronde deed. Men was verslagen dat de oorlog was uitgebroken. Zouden de Engelsen en de Fransen te hulp komen? Zij hadden toch sterke gevechtseenheden?

Omstreeks 9.00 uur werd de IJsselbrug bij Zwolle opgeblazen. Ik heb een slechte dag gehad. Als buitengewoon dienstplichtige hield ik er rekening mee nog diezelfde dag een oproep te krijgen om me bij één of andere marinebasis te melden. Na het middageten heb ik nog geprobeerd een uurtje te slapen. Alles verliep helaas anders dan we hoopten. Nederland werd onder de voet gelopen, ondanks de inzet van velen. Het aantal gesneuvelden was groot. Veel slachtoffers kwamen om bij de bombardementen te Rotterdam en elders. Zware dreigementen dwongen Nederland tot capitulatie. Een vreselijk tijdvak had een aanvang genomen…

SPERRGEBIET (1941)
Nabij Nunspeet, in de omgeving van Hoophuizen, werd door de Duitsers in de oorlog een schietterrein ingericht. Een paar kilometer uit de kust was op bevaarbaar water een schietschijf verankerd aan een honderd meter lange stalen kabel. De schijf bestond uit een ongeveer zeven meter lang en enkele meters breed vlot, waarop een anderhalf tot twee meter hoog zeildoek was aangebracht. Vanaf de wal werd met 7.00 cm geschut op dat doel geschoten. Pottenkijkers had men niet nodig. Voor de veiligheid van de vissers en de vrachtvaart waren voorschriften uitgevaardigd waarin dergelijke gebieden tot Sperrgebiet werden verklaard. Desondanks gebeurde het wel eens dat wij, afhankelijk van de wind, door die streek heen voeren. Achteraf gezien wel gevaarlijk, soms bij het roekeloze af. Soms moesten we bij oostenwind, als we ’s morgens vroeg, na een hele nacht vissen, de kuil in de buurt van Harderwijk hadden binnengehaald, tegen de wind naar Elburg laveren. We probeerden dan zo kort mogelijk onder de wal door, met weinig golfslag, zo vlug mogelijk voort te gaan.

Het gebeurde dan wel eens dat de Duitsers aan het vuren waren. Desondanks zeilden we in dezelfde koers voort in zuidoostelijke richting. We kwamen dan vlak bij de plaats waar de granaten neerkwamen en de scherven gierend over het water vlogen. Onverantwoord achteraf gezien. We zeilden in dat geval gauw over de wind in noordoostelijke richting, weg van het gevaarlijke gebied. We waren nogal geschrokken en bleven in het vervolg wat verder uit de buurt. Bij nacht gingen we in die omgeving ook wel eens vissen. Naast de verschillende vissoorten, waaronder aal, zaten er dan ook wel granaatscherven in de kuil. Kleine scherven, een enkele keer grotere stukken, een halve granaat en één keer een hele. Die laatste hebben we zo snel mogelijk over boord gegooid. De rest werd thuis bewaard, zomaar als curiositeit.

NEERSTORTENDE JUNKER 88 (1941)
Het gebeurde op een late zomernamiddag in 1941. Er stond een noordelijke wind met een kracht van drie. Het wolkendek was gesloten. Met een groot gedeelte van de vissersvloot waren de kuilvissers om een uur of vier in de middag vanuit Elburg vertrokken. Bij een noordenwind lag Elburg aan lagerwal. Om met de kuil te kunnen vissen, moest men laverende hoogte zien te winnen. Zo ook op deze middag. We waren inmiddels de Ketel gepasseerd en zeilden in de richting van de dijk van de toekomstige Noordoostpolder. Tegen 18.00 uur waren er 25 tot 30 vissers, op een gebied van enkele vierkante kilometers verspreid, op de visgronden aangekomen. Enkelen hadden de kuil al over boord gezet. Met de grote kluiver en het bezaan erbij trokken ze in zuidwestelijke richting weg. Anderen zeilden nog even door om een gunstigere positie in te nemen. Ook wij voeren nog even door.

Opeens hoorden we vliegtuigen in de lucht. Voor ons waren ze echter onzichtbaar vanwege het gesloten wolkendek. Er werd met onregelmatige tussenpozen geschoten. We hoorden haperend motorgeronk, vervolgens een explosie, waarna even later een motor van een vliegtuig (een compacte, zware massa) snel vallend beneden het wolkendek zichtbaar werd en in zee stortte. Vervolgens kwam de romp van een Duits vliegtuig tuimelend door de wolken en smakte ongeveer 500 meter van ons in zee. Tegelijkertijd viel een parachutist met grote snelheid in het water. De parachute was in de volle lengte ontrold, maar niet ontvouwd. Vervolgens kwamen twee vliegers aan geopende parachutes omlaag. Zij kwamen een paar honderd meter van elkaar in zee. Tenslotte kwam zeilend en kantelend het staartstuk van het vliegtuig enkele honderden meters verder in het IJsselmeer terecht. Het bleek achteraf een Junker 88 (een tweemotorige nachtjager van de Luftwaffe) te zijn.

Wij zeilden door. Toen kwam bij ons de vraag op wat we moesten doen. Moesten we die vliegers oppikken? Leefden ze nog wel? Het waren Duitsers, vijanden van ons. Moesten we die redden? We zijn uiteindelijk toch aan de kuil gegaan. Alle zeilen werden bijgezet waarna we in zuidwestelijke richting trokken, weg van de plaats waar het vliegtuig was neergekomen. Van de drenkelingen konden we niets waarnemen. Die waren nu wel een kilometer bij ons vandaan. Plotseling zagen we een Duits vliegtuig, eveneens een Junker 88 gevechtsvliegtuig, over het water scheren. De bemanning bemerkte de drenkelingen en markeerde de plaatsen met rookfakkels. Ze bleven steeds met duikvluchten aangeven waar de vliegers in het water lagen. Wat moesten we doen? Nu konden we toch niet langer de aanduidingen van het vliegtuig negeren en weigeren te helpen? Het waren wel Duitsers, maar er lagen mensen in het water. Die konden we toch niet laten verdrinken? We zaten op dat moment ongeveer tien minuten aan de kuil. We hebben het net zo snel mogelijk ingehaald, de fok gehesen, meteen door de wind en koers gezet richting de rooksignalen.

Toen we halverwege waren, maakte zich uit de werkhaven van de in aanleg zijnde dijk van de toekomstige Noordoostpolder een sleepboot los. Deze kwam hard stomend in de richting van de plaats waar het nog steeds rondvliegende jachtvliegtuig door signalen te kennen gaf waar de drenkelingen zich bevonden. De sleepboot was even eerder dan wij bij de drenkelingen en haalde ze aan boord. Na de berging zette de sleper koers naar Urk. De tijd van het in het water belanden van de vliegers tot het moment dat ze werden opgepikt heeft mijns inziens ruim een half uur geduurd. Ik heb nooit begrepen waarom geen van de in die contreien aanwezige vissers hebben gereageerd. Ook toen de andere Duitse jager de drenkelingen ging zoeken en met fakkels aanduidde waar zij in zee lagen, was er niemand die reageerde om te helpen.

Nu moet ik wel zeggen dat de meeste vissers noch van het neerstortende vliegtuig, noch van de dalende parachutes iets hebben gezien. Vermoedelijk hebben ze niets begrepen van wat het Duitse gevechtsvliegtuig daar aan doen was. Dit incident was tevens één van de eerste door ons waargenomen luchtgevechten bij daglicht, waarbij nog wel een tweemotorig Duits gevechtsvliegtuig door de Engelsen werd neergehaald. Van het luchtgevecht zelf konden we door de bewolking echter niets zien. De Duitsers waren dus niet onsterfelijk, noch onoverwinlijk. We stonden verbluft. De Duitsers waren in die tijd boven het Europese continent heer en meester met hun oppermachtige luchtvloot. Dat een Engels vliegtuig op klaarlichte dag kans zag zover boven de bezette gebieden door te dringen en zelfs een Duits gevechtsvliegtuig kon neerschieten, was ons inziens een geweldige prestatie. Een klein begin van de uiteindelijke aftakeling…

BOM IN DE KUIL (1942)
Het was een zwaar bewolkte, donkere nacht in september 1942. Er stond een noordenwind met een kracht van drie à vier. We hadden alle zeilen bijstaan en trokken met de kuil in zuidwestelijke richting. Er was nogal wat beweging in de lucht: vliegtuigen op weg naar Duitsland. Tegen een uur of twee ging het niet meer. We waren ergens aan vastgetrokken. Er zat niets anders op dan de kuil te halen. Na het bergen van de zeilen probeerden we eerst de voorste vleugel van de kuil aan boord te halen. Dat ging nog aardig goed. Daarna het achteroor. Na samenvoeging van de voor- en achtervleugel trachtten we het geheel binnen te krijgen. We zaten echter zo vast dat we de schuit tegen de wind en de golven introkken. Er was vrijwel geen beweging in te krijgen. Soms halen, dan weer decimeters toegeven. Hoe moest dat verder? Met elke golf knepen we het net op de boord. Stukje bij beetje en centimeter voor centimeter. De vorderingen waren miniem.

Na meer dan een uur bezig te zijn geweest, kwamen we bij de keel. Daar kregen we metaal boven water. Het bleek een vliegtuigbom te zijn. De staartvinnen kregen we langzaam boven water. We haalden de lantaarn naar achteren. Een spleetje licht bescheen het achtereind van de bom. Grote voorzichtigheid was geboden. Als dat maar goed zou gaan. Met zeer veel moeite hebben we nog een strop voorbij de bom geplaatst. Het projectiel zat met de voorkant precies in de keel en sloot de doorgang geheel af. Dan weer voor iets bij gesjord, dan weer achter, enzovoort. Door de onderste strop steeds iets meer door te halen, kwam de bom iets schuin te liggen. Door het enorme gewicht begon het ‘aatje’ bij de keel langzaam te scheuren. Door de dweil hard tegen de vinnen af te zetten, probeerden we de bom over de kop te duwen. De scheur werd steeds iets groter totdat het gevaarte kantelde en het ‘aatje’ geheel openscheurde. De bom kwam vrij en dook omlaag in de zwarte diepte. Gelukkig explodeerde ze niet. We waren gered. Meer dan twee uur waren we bezig geweest. De kuil was kapot, de vangst weg, maar wij leefden nog. Goddank. Naar schatting was het een projectiel van 500 pond, mede gezien de grootte.

N.B. Dit laatste werd mij na de oorlog bevestigd door mensen van de Explosieven Opsporingsdienst (E.O.D.)

AANVAL VAN EEN FOCKE WULFF 190 (1943)
Het gebeurde op een zomerse dag in 1943. Het was rustig weer met een westelijk windje. We hadden de hele nacht gevist en waren op weg naar de haven van Elburg. Aangezien de wind nogal was afgezwakt tot windkracht twee, hadden we naast fok en grootzeil, de grote kluiver en het bezaan er bijgezet. Op een enkeling na waren bijna alle vissers al binnen. Zij hadden de motor aangezet en waren naar de haven gestoomd. Wij moesten echter nog even geduld hebben. De afstand tot het havenhoofd was ongeveer drie kilometer. Omstreeks 10.30 uur kwam een Duits jachtvliegtuig, een Focke Wulff 190, op ongeveer 500 meter hoogte vanuit het zuidwesten in noordoostelijke koers overvliegen. Na de passage vloog hij nog even door, draaide daarop in een linkerbocht en kwam toen vanuit het noordoosten weer op ons aanvliegen. Vervolgens nam het vliegtuig een duik tot ongeveer honderd meter, vloog parallel aan onze koers en vuurde een salvo projectielen met zijn boordwapen af. De granaten, mogelijk een veertig stuks, kwamen te loevert (bovenwindse zijde) dwars van ons, op een afstand van ongeveer zestig meter, in zee terecht.

Even later trok het vliegtuig op naar een geschatte hoogte van 500 meter en passeerde weer in noordoostelijke richting. Maar na enkele minuten keerde hij in onze richting terug, dook weer omlaag en begon nogmaals met zijn boordkanonnen te vuren. De projectielen roffelden door het water. En weer trok hij in dezelfde linkerbocht, vloog ons aan de lijzijde voorbij en koerste in de noordoostelijke richting, kwam in dezelfde positie om van daaruit nogmaals te vuren. Tot vier keer toe herhaalde zich het schieten. Na op die manier zijn boordkanonnen te hebben uitgeprobeerd, vloog hij voor de vijfde keer in noordoostelijke richting, maakte weer de linkerbocht en kwam in hoge snelheid op ons aan. Het toestel passeerde op masthoogte vlak over ons heen, de vliegenier stak zijn hand op, trok omhoog en verdween in zuidelijke richting. Op de linkerzijde van de romp van het toestel, juist achter de cockpit, was een soort schaakbord geschilderd. We konden niet zien voor figuren in de blokken waren geschilderd of wat het moest voorstellen.

N.B. Na de oorlog heb ik op tentoonstellingen navraag gedaan. Daar kreeg ik als antwoord: ‘zeer waarschijnlijk een scorebord van behaalde overwinningen’.

HULPVERLENING EB 64 (1943)
Het was op een lichtbewolkte vrijdagavond in de zomer van 1943. Er stond een noordelijk windje. We hadden de kuil ingehaald en zeilden in noordoostelijke richting. Het was omstreeks 19.30 uur. Een eindje boven ons, dat wil zeggen bovenwinds, lag de botter EB 64 van Hannes Broekhuizen en zijn zoon Lub met kale zeil aan de wind. Zij praaiden ons. Toen wij langs kwamen, vroeg Broekhuizen ons of wij even wilden helpen. Zij hadden een lijk gevonden en wilden dat aan boord hijsen. Het verkeerde echter in dusdanige staat van ontbinding dat de berging nogal moeilijk leek. Tezamen hebben we toen het stoffelijk overschot voorzichtig uit het water gehaald en op de plecht gelegd. Het bleek een geallieerde vlieger te zijn. Broekhuizen onderbrak zodoende zijn visserij. De EB 64 zette koers naar Elburg om het lijk aan wal te brengen. De gemeente zou er verder zorg voor dragen. Ook dit stoffelijk overschot, een vermiste, kon zodoende geregistreerd en begraven worden. Dankzij vader en zoon Broekhuizen!